Pagina's

dinsdag 10 november 2015

Hieperderpiep en in de gloria! Vierjaardag to the max


Ik ben een beetje moe. Ga dan eens naar bed, hoor ik u denken. Als je moe bent, ga je geen blog zitten tikken, dan ga je slapen. Ja. Daar heeft u helemaal gelijk in. Maar mijn dochter was jarig. En werd vier. VIER! Weet je hoe groot dat is? En hoe levensveranderend dat is? Voor haar, maar ook voor mij. Ik heb nu twee schoolgaande kinderen. En daar moest ik een week lang stiekem om snikken. Hoezo werd mijn kleine kabouter ook ineens een schoolkind? En ik moest deze gebeurtenis ook drie keer vieren. Vandaar dat beetje moe.

 Nou goed. Nu hielpen al die feestjes er wel bij dat de feestvreugde overheerste en niet de melancholie. Bovendien hoefde ik me ook niet te vervelen, want er moest natuurlijk een kado komen, een zelfgemaakt kado. Want dat hebben we nou eenmaal er als een soort traditie in laten sluipen. Ik stikte in de avonduren van de vakantie een tipi in elkaar. Dat klinkt alsof ik dat heel normaal vind, maar dat is natuurlijk niet zo. Ik kan namelijk helemaal niet naaien. Of precies werken, of me aan werkbeschrijvingen houden. En ik twijfel bij elke handeling of ik toch een heel ander ontwerp moet maken. Doodvermoeiend om mij te zijn. En om mij aan te horen in dit helse tipi proces. Het was wel een heel voordelig kado: ik recyclede een kersttafelkleed, de timmerman had nog wat stokken over, economisch voordeel tot en met. Verder raakte ik een naaivoet kwijt (ja dat kan blijkbaar) ging verder met een soort ritsnaaivoetje dat het ook best deed, tornde weer eens wat los, stikte dingen weer aan elkaar en toen stond daar gewoon een wigwam. Minimalistisch en al. Dat was misschien wel de allergrootste overwinning. Dat het ding niet hels gekleurd is met allerlei tirelantijnen. 



Je zou zeggen, klaar! Maar er moest ook nog worden getrakteerd (de lelijkste kabouters ooit!), een verjaardagsshirt worden gemaakt (ook volgens de traditie om half 1 's nachts) en een kabouterfeest worden georganiseerd. Met kaboutermutsen en zo. De naaimachine stond er toch. 






 Het feest was echt allerschattigst. Na elk kado stamelde de jarige: 'dit is precies wat ik wou....'. Die precieze wensen bleken uit een schoffel te bestaan. En knutselpapier. Had ik al eens gezegd dat de kleine freule een fijn kind is? Nou bij deze. Ianthe is een heel, heel fijn kind.

Toen waren er ineens kabouterschatten kwijt en schreef kabouter Spinnenbin ons brieven. De schatten en ook nog paddenstoelen werden weer gevonden, we deden moeilijke spelletjes, kregen nog meer briefjes met boodschappen en eetbare steentjes en kabouterstenen die mee naar huis mochten in een zelfversierd doosje en poffertjes. En een fles wijn toe. (voor mij, weest gerust.) Oh ja, en er was ook een vijfjarige dochter die als een draak om de vijf minuten een krijsbui kreeg. Omdat zij niet alle kado's kreeg, als eerste mocht of heel belangrijk was. Tis me wat hoor, verwend zijn. Dat zag ze uiteindelijk zelf ook wel in toen ze snikkend zei: 'Ik mag altijd alles als eerste he mam, Ianthe nooit. Dat vind ik heel moeilijk.' Toch fijn wat zelfinzicht. En knap ook wel. Nu dat gekrijs nog afleren. 
 Kortom, genoeg feestvreugde voor een jaar. Maar toen kwamen de grote mensen nog. Daar bakte ik nou eens geen taart voor, maar kocht er een (en liet mn timmerlief de rest bakken. Zo ben ik.) Zo sneuvelde er toch een van de verjaardagstradities. Maar serieus, als je mij m'n gang laat gaan, komt er elk jaar een traditie bij, en dan kan ik straks mijn baan opgeven en het hele jaar alleen nog maar feestjes voorbereiden. Dat lijkt ook weer niet de bedoeling. Nou goed, dat met grote mensen bleek ook heel gezellig en daar mocht ik in de openbaarheid wijn drinken, dus dat was weer mooi meegenomen. 
En nu ben ik moe. Is iedereen moe. Want van afscheid nemen van de crèche, beginnen op school en feestvieren word je uiteindelijk onhandelbaar. Hoe kan het dat ik dat ook al weer was vergeten?

(Gelukkig huilt Otto al dagen nachten als ik zijn hand niet vast hou, moet ik nog twee pompoenen in Sint Maarten lampionnen omtoveren, iets met werk en reportages en deadlines doen, het sinterklaasjournaal kijken en de intocht voorbereiden, (dit klinkt als een bijzaak, maar nee echt, dat is het niet. Ik geloof zelfs dat het bovenaan mijn prioriteitenlijst in het leven staat. Ik moet namelijk zorgen dat de freules de spanning aankunnen en dat ik niet al te hard huil van ontroering. En dat Otto leert een pietenmuts op te houden. Echt. Meer is er niet. ) maar ik vermoed dat ik volgende week weer zou moeten kunnen gaan slapen. Tot dan!)

donderdag 5 november 2015

Met je voeten in de klei (of blubber of zand of zee)


Van alle liefdes die ik heb, is mijn schoenenliefde wel een van mijn diepstgewortelde. Daar kan ik helemaal niks aan doen, het is een familiekwestie. Mijn moeder bezit onnoemelijk veel paar en mijn oma had al helemaal een kast vol pareltjes. Ik noem gouden muiltjes, ettelijke gevoerde laarzen met sleehak en van die heerlijke jaren zeventig instappers. Niet dat ik deze schoenen nog heb, want mijn moeder is ook gezegend met onstopbare opruimwoede. En zo gebeurde het (ja, nu ga je aan de publieke schandpaal genageld worden moeder!) dat zij zo maar, op een dag, uit mijn kamer thuis, een hele tas vol schoenen oppakte, en in een vuilnisbak smeet. Ja. Sommige mensen kennen geen genade. Ze had er ook nog een excuus voor; 'Ze waren je twee maten te klein.' Heel laag ja, om zo op mijn tante Sidonia minderwaardigheidscomplex in te spelen. Twee maten te klein, dat is een futiliteit als het om prachtig schoeisel gaat. 

(Dit is geen incident hoor. Mijn moeder vond ook de doos met negatieven van alle ALLE! foto's uit mijn jeugd onnoemelijk in de weg staan. En zette ze bij het vuilnis.) 




'Waar gaat dit heen?' hoor ik u denken. 'Dat mens zit over schoenen te wauwelen, terwijl ze plaatjes van het strand laat ziet. Ze is gek.' Ja, dat laatste zou kunnen kloppen, maar ik wil wel een punt maken. Ik heb namelijk een groot probleem. De kinderschoen. Het probleem doet zich voor op meerdere fronten. Ga er maar eens goed voor zitten. 

Punt 1. Er zijn maar weinig leuke kinderschoenenwinkels. De meesten verkopen meisjesschoenen met glitters en lampjes en jongensschoenen met klittenband en auto's erop. Dat vind ik lelijk. En het is een hele toer om te zorgen dat de freules geen lucht krijgen van zulk schoeisel.  

Punt 2. De leuke kinderschoenenwinkels hebben te veel mooie schoenen. Zeker zes paar per kind die ik subiet wil meenemen. Dat kan niet en wel door punt 3.

Punt 3. Leuke kinderschoenen zijn duur. Onbetaalbaar. Meestal zelfs duurder dan de dingen die ik in de uitverkoop voor mezelf uitzoek. En als ze er dan jaren mee zouden doen, zoals ik, zou het geen probleem zijn. Maar: 

Punt 4. Kinderschoenen worden gemiddeld vier maanden oud en worden zeker niet meer de eerbied behandeld die ze verdienen. Een tweeledig probleem dat ik derhalve in twee punten moet opdelen. Dus:

Punt 4.1: kindervoeten groeien te hard. Of te zacht. Of te onvoorspelbaar. Zo kunnen schoenen binnen een dag na aanschaf al te klein zijn. Of de schoenen op de groei blijven maar niet passen. Van die moonboots bijvoorbeeld, die dan midden in de zomer perfect vallen. 

 Punt 4.2 Kinderen lopen nooit op schoenen. Nee. Ze glijden erop door de gang. Ze rennen ermee, door de modder. Of door de klei, en stampen er mee in een plas. Ze laten ze lekker bungelen als ze op een loopfiets rijden. Daardoor zijn ze precies een uur na aanschaf al kaal bij de neus, zitten de veters onherstelbaar in de knoop of gaat een rits nooit meer open of dicht. 

Kort samengevat: ik heb slapeloze nachten als ik op vakantie ga, door de kinderschoen. Want waar ik prima met een paar de deur uit kan lopen, moet ik een heel strategisch plan opstellen voor mijn kinderschare. En eindig ik met drie x vijf paar (die mooie nieuwe, die lelijke buitenspeeldingen, warme sloffen, goede kaplaarzen en de lievelingsgympen) in een tas. Die ze natuurlijk nooit willen aantrekken. AAAAAAAARGH!










 Als ik dan in die berg mooie, vieze, te kleine en kapotte schoenen sta te graaien, vraag ik me voor de honderdduizendste keer af: hoe doen andere mensen dit toch? Hebben die maar 1 paar schoenen per kind en die gaan een heel seizoen mee en daar is iedereen tevreden mee? Of besteedt iedereen de helft van zijn inkomen aan een heel arsenaal aan schattige instappertjes, hippe sandalen, leuke laarsjes, en stoere gympen? En koopt iedereen altijd hele verantwoorde goeie schoenen met zo'n geweldig voetbed voor groeiende kindervoeten? Het zijn raadsels, waar ik volgens mij nooit antwoord op ga vinden. Hoe om te gaan met de kinderschoen? Schreef daar nou maar eens iemand een lekker zelfhulpboek over. 





Nu u weer een kijkje in mijn complexe psyche heeft gekregen, is het ook beter te verklaren waarom ik vaak even vakantie-buitenlucht nodig heb om bij te komen. De problemen, de problemen waarmee ik te maken heb!

(U ziet overigens: het oh zo heerlijke Zeeuwse strand, prachtig Middelburg in de herfst, een fantastisch kasteel en kinderen die genoeg hebben aan blote voeten of een paar kaplaarzen als ze maar lekker buiten in de bosjes kunnen spelen. Insert heel veel hartjes <3 <3)

dinsdag 3 november 2015

Ode aan de herfst- portretjes #10



Ik verzucht het al een week lang een paar keer per dag: 'Wat is het mooi he jongens?' Met het' bedoel ik dan alles. Het leven en dan vooral de herfstgetinte versie daarvan. De kleuren, de geuren, het licht, vooral dat gouden licht. Alles straalt een beetje. Wordt de beste versie van zichzelf. Ik krijg er maar geen genoeg van. 





Daarom sleep ik als een manische moeder, wanneer het maar kan, het hele gezin naar buiten. Zoals hier op de oude vliegbasis Soesterberg. Een open vlakte, de bomen op hun mooist, bergen tamme kastanjes en dus dat licht. Het was er perfect. Otto riep verrukt alle zweefvliegtuigen na, de meisjes klommen tot duizelingwekkende hoogtes op een soort stormbaan. En ik zoog alles zo diep mogelijk in mij op. De tijd mag heel even blijven stilstaan. 

 
En mag ik er nog heel even onbeschaamd op wijzen dat dit jongetje echt het aller, aller, állerliefste van de hele wereld is? Zijn onbesuisde enthousiasme, zijn eigenwijsheid, zijn allerbeste kusjes, zijn plannetjes en de uitvoering daarvan, zijn allesomvattende liefde, het is zo'n geluk dat hij al anderhalf jaar ons liefste Otto'tje is!

dinsdag 27 oktober 2015

Kleine avonturen


Afgelopen week was ik vaak gelukkig. Ik dronk koffie buiten zonder jas. Ik zag de zon in de zee zakken op een zeldzaam mooie manier. Ik assisteerde de tandenfee bij het ritueel onthalen van de eerste melktand van de grote freule die er (midden in een donkere tunnel in de auto op weg naar vakantie. Tja, sommige momenten heb je niet voor het uitkiezen.) uitviel. Ik wandelde. Ik zat in een duinpan. Ik at lekkere dingen die ik eigenlijk helemaal niet mag maar te lekker waren om niet te eten. (Ik noem en reuzenbokkenpoot. Ik noem twee reuzenbokkenpoten. Vers van de bakker. Je zou voor minder helemaal naar Zeeland rijden.) Kortom; ik had een zalige herfstvakantie. 




Vaak vroeg ik me af wat geluk nou eigenlijk is. Ik weet het antwoord niet. Maar ik weet wel dat elke keer dat ik dacht 'Sjongejonge wat ben ik toch gelukkig, het is toch niet te geleuven...' dat ik heel erg besefte dat ik zo'n geluk had. Dat het heus niet vanzelfsprekend is dat de zon schijnt, de herfstkleuren van het bos spatten en dat ik een hele week de tijd had om naar die drie enorm leuke kinderen van mij te kijken. Dat is geluk. 





Waar ik ook gelukkig van word, is hele kleine avonturen beleven. We proberen van elke wandeling een ontdekkingstocht te maken. Dat begint natuurlijk met kabouterhuizen zoeken. Of trollenhollen. Dat klinkt allemaal heel leuk en gezellig enzo, maar het is bittere noodzaak. Die ellendige freules houden namelijk helemaal niet van wandelen en zijn niet vooruit te branden. Tenzij je ze een sprookjesverhaal verkoopt, dat is het enige waar ze warm voor lopen. Dus: een grot! Kijk! Maar toen bleek de ingang van die grot iets heel anders te zijn. Een donkere tunnel van een bunker. Ik kroop erin met de dames. In plaats van het viezige hol dat ik verwachtte, kwamen we in een ingewikkeld gangenstelsel terecht dat maar eindeloos door bleef gaan. Ik kon gilletjes van plezier nog maar net onderdrukken. Een ondergronds bouwwerk! Onontdekt! Onder een enorme duin! Man, wat hou ik van dat soort verrassingen! 








En tegelijkertijd kon ik ook maar niet bevatten dat er een tijd geweest is dat wij hier in Nederland bunkers in de duinen moesten bouwen. Voor wat? Waarom? Wat is er gebeurd? En dat gedeelte van het verhaal wil ik dan weer helemaal niet weten. En hoe leg je zoiets uit aan twee kleine meisjes? Nu hadden we gewoon een verlaten, verborgen kasteel ontdekt, niet een oorlogsrestant. Noem me maar naïef.


En voordat iedereen denkt, gatver, heb je dat mens weer met al haar gelukzaligheid... ik was heus niet alleen maar gelukkig. Ook mokkig, onredelijk, kortaf, moe, boos, zonder zin in wat dan ook. Omdat de rest van het zooitje waarmee ik bivakkeerde dat ook regelmatig is. (Omdat ze na de ontdekking van dat ondergrondse kasteel ook weer naar huis moesten lopen. Helemaal zelf. Tis ook werkelijk godgeklaagd...) Gelukkig maar hè? Dat zoetsappige geluk maar ook altijd.